menu sluiten

ophokken

Tegenwoordige studentenunits zijn volledig ontwikkeld vanuit minimale kosten en ruimtebehoefte en lijken het ultieme antwoord op de aanhoudende vraag naar betaalbare studentenhuisvesting in de grote steden. Het zijn diepe tunnels met niet meer raamoppervlak dan strikt noodzakelijk en een layout die wonen, slapen, koken en badcel op 20 tot 35 m² woonoppervlak mogelijk maakt. Een kunststukje in efficiëntie. Ze worden in grote aantallen tot wel 1.000+ gerealiseerd in gebouwen tot twintig verdiepingen. De architectonische afwisseling beperkt zich tot een unitje weglaten op een hoek of lokaal een funky kleurtje op de gevel; maar dat kan de monotonie niet verhullen.

De clustering van zo klein mogelijke units in zo groot mogelijke aantallen is sowieso een trend in stedelijk wonen; vaak met hippe woonconcepten en een inventieve stapeling van functies; je bed hangt boven je bureau, een trap klapt uit; de keuken en badkamer zijn vervlochten in een kastenwand. Je kunt zeggen dat zo meer mensen met een lagere ecologische impact in de stad kunnen wonen. En de grote dichtheid biedt kansen voor gemeenschappelijke functies als restaurants, nomadische werkplekken en dakterrassen. Toch benauwt het me; zeker in de lockdown vlieg je schat ik tegen de muren op.

En hoe toekomstbestendig is een wijk die bestaat uit zulke massale kleinkorrelige eenheden? In mijn ervaring zijn de meest adaptieve gebouwen nooit de meest fijnmazige. Het meest flexibel zijn juist ruimtelijke structuren met een zekere overmaat, grotere overspanningen, een vrije indeelbaarheid en voldoende daglichttoetreding. In Den Haag hebben we recent relatief eenvoudig een groot jaren zestig-kantoorgebouw met deze eigenschappen kunnen omvormen tot appartementencomplex. Daglichtrijk en met een grote diversiteit aan vrij indeelbare plattegronden.

De termietenheuvels van kleine hokken kunnen op termijn wel eens een hoofdpijndossier blijken. Twee units van 35m2 zouden toch minimaal schakelbaar moeten zijn tot meerkamerwoning van 70m2, lijkt me. Waarom bouwen we woongebouwen niet meer als kantoren, met grote, vrij indeelbare vloervelden, goede verhoudingen tussen gevel- en vloeroppervlak en voorbereid op een eindeloos veranderende toekomst?